Juni 2026

Visie op Asset Allocatie

Juni begon met een ongemakkelijke tegenstelling. Terwijl inflatie opnieuw opliep en groeisignalen verzwakken, gedragen financiële markten zich in de maand mei alsof de grootste risico’s tijdelijk zijn. Aandelen stegen breed, de risico-opslagen op bedrijfsobligaties daalden en de olieprijs viel terug naar 93,77 dollar per vat, ondanks aanhoudende onzekerheid over het Midden-Oosten en de energietoevoer. Dat beeld oogt geruststellend, maar is fragiel, omdat het rust op één dominante veronderstelling: dat verstoringen van korte duur zullen zijn en dat de investeringsgolf rond kunstmatige intelligentie sterk genoeg blijft om een zwakker macrobeeld te compenseren. Juist daardoor kan een relatief kleine tegenvaller een disproportioneel effect hebben op markten die weinig ruimte laten voor twijfel.

 

Dat spanningsveld is het duidelijkst zichtbaar op aandelenmarkten. Wereldwijde aandelen stegen in mei met 5,5%, ontwikkelde markten met 4,9%, de Verenigde Staten met 5,7% en opkomende markten zelfs met 10,1%, terwijl de eurozone bleef steken op 2,4% en het Verenigd Koninkrijk op 0%. Die verschillen zijn inhoudelijk belangrijker dan de absolute rendementen. In de Verenigde Staten en delen van Azië blijft de investeringscyclus rond kunstmatige intelligentie de winstverwachtingen stuwen, wat opkomende markten en Amerikaanse indices een duidelijke voorsprong gaf. Europa profiteert daar minder direct van en is gevoeliger voor hogere energieprijzen, zwakker consumentenvertrouwen en afnemende bedrijvigheid. Daarmee wordt steeds zichtbaarder dat een groot deel van het beursrendement door een relatief beperkt deel van de markt wordt gedragen, maar betekent ook dat markten steeds gevoeliger worden voor schokken die niet door de brede economie worden opgevangen. Dat ondersteunt koersen zolang de verwachtingen overeind blijven, maar vergroot ook de kans op een scherpe herprijzing zodra die groeimotor aan overtuigingskracht verliest. Tegen die achtergrond blijft een neutrale houding in aandelen en logische keuze.

 

De macro-economische context maakt die voorzichtigheid begrijpelijk. In de eurozone liep de inflatie in mei op naar 3,2%, de kerninflatie naar 2,5% en de inflatie in diensten naar 3,5%, terwijl de samengestelde inkoopmanagersindex daalde naar 47,5 en dat duidt op een lichte krimp in de private sector. De groeiraming voor 2026 is teruggebracht naar 0,8%. In de Verenigde Staten kwam de PCE-inflatie uit op 3,8% en de kerninflatie op 3,3%, terwijl de groei werd bijgesteld naar 1,6%. Het reële beschikbare inkomen daalde met 1,1% en de spaarquote staat op maar 2,6%. Dit beeld past bij een economie die geraakt wordt door een prijs- en aanbodschok, terwijl de onderliggende vraag verzwakt. Voor centrale banken ontstaat daarmee een steeds krapper speelveld: inflatie laat weinig ruimte voor versoepeling, terwijl de groeivertraging het draagvlak voor langdurig restrictief beleid ondermijnt.

 

Juist daarom verdient de obligatiemarkt een scherpere blik. De rente op tienjarige staatsobligaties noteerde eind mei 4,44% in de Verenigde Staten, 2,93% in Duitsland en 3,05% in Nederland. Deze niveaus bieden weer een betekenisvolle vergoeding, maar belangrijker is dat staatsobligaties opnieuw een scharnierpunt vormen in portefeuilles. Als groei verder afzwakt, bieden ze bescherming; als inflatieverwachtingen oplopen, worden ze het mechanisme waardoor markten zich snel moeten herprijzen. Bedrijfsobligaties tonen een ander beeld. De risico-opslag op investment grade bedraagt slechts 73 basispunten in de Verenigde Staten en 77 basispunten in de eurozone, terwijl high yield spreads op 272 en 268 basispunten liggen. Lage spreads betekenen niet dat het risico verdwenen is, maar dat het niet meer expliciet wordt geprijsd. Dat maakt kredietmarkten minder een bron van rendement en meer een potentiële versneller van volatiliteit in een omgeving waarin een energie- of inflatieschok zich snel kan vertalen naar bredere markten.

 

Op grondstoffenmarkten keert dezelfde asymmetrie terug, maar hier nog scherper. Brent-olie daalde met 17,4% naar 93,77 dollar per vat, terwijl de onderliggende kwetsbaarheid van het energiesysteem vrijwel onveranderd is gebleven. De markt prijst opluchting in, niet de realiteit van een fragiele aanvoerketen. Dat betekent dat de neerwaartse ruimte in de olieprijs beperkt is, terwijl opwaartse verrassingen disproportioneel kunnen doorwerken in inflatie en renteverwachtingen. Goud bleef stabiel rond 4.591 dollar per troy ounce. Dat lijkt weinig spectaculair, maar is juist veelzeggend: kortetermijndruk door hogere rentes wordt gecompenseerd door een structurele vraag vanuit centrale banken, die goud inmiddels naar 27% van de wereldwijde reserves hebben gebracht.

 

Alles bij elkaar ontstaat een marktbeeld waarin stabiliteit afhankelijk is geworden van een beperkt aantal aannames. Aandelen worden gedragen door een smalle groep bedrijven die profiteert van de investeringsgolf rond kunstmatige intelligentie, terwijl de bredere economische dynamiek verzwakt. In obligatiemarkten impliceren lage risico-opslagen dat tegenvallers beheersbaar blijven, terwijl de recente versnelling van inflatie juist het risico op abrupte rentebewegingen vergroot. Tegelijk suggereert de daling van de olieprijs ontspanning, maar blijft het energiesysteem de belangrijkste bron van onzekerheid, met potentieel directe impact op zowel inflatie als groei. Als één van deze aannames kantelt, zal dat zich waarschijnlijk gelijktijdig vertalen in meerdere markten. In een dergelijke omgeving zit het risico niet zozeer in wat markten verwachten, maar in hoe weinig ruimte er nog is voor afwijkingen daarvan.

 

Tegen die achtergrond blijft de strategische positionering bewust in balans. Aandelen staan op neutraal, omdat de structurele groeidynamiek steun biedt, maar de onzekerheid rond geopolitiek te groot blijft voor een zwaardere allocatie. Staatsobligaties zijn van onderwogen naar neutraal verhoogd, omdat het lopende rendement weer betekenis heeft gekregen en een beschermende rol kan vervullen. Bedrijfsobligaties investment grade blijven onderwogen door de lage risico-opslagen, terwijl high yield en schuld uit opkomende markten neutraal blijven. De strategie is daarmee niet ingericht op één uitkomst, maar op veerkracht, met spreiding als kernmechanisme om schokken op te vangen in een markt die steeds gevoeliger wordt voor afwijkingen van het verwachte pad.

 

In de bijlage vindt u onze Asset Allocation Update voor de maand juni.

 


 

Visie op asset allocatie juni 2026
Jan-Willem Verhulst

Jan-Willem Verhulst

CIO

EmailEmail Jan-Willem